39

Mustafa Stitou

_ _ _

TALISMAN

Neem jezelf de gesel uit handen.
Adem rustig de walging uit. Stap
doorheen die stolp van schaamte
en zet kalm de blik vanboven
het barse vadermasker af.

Er is genade in het midden van je leven,
blijkbaar, een grote langzame wending;
het hoeft niet vlekkeloos te zijn
om zijn werk te doen: bevestigen
dat je leeft, dat je niet alleen leeft.

Vecht het noodwendige gevecht,
durf te vertrouwen, speel, haak aan
bij de helpende stemmen. Spreek
en stroom en vrees niet, vriend,
uit te monden in verlatenheid.

_ _ _

Uit: Waar is het lam? (2022)

De dichter las het gedicht voor op de 39ste Nacht van de Poëzie (Utrecht, zaterdag 8 oktober 2022):

Analyse

Waar is het lam? (2022) van Mustafa Stitou (°1974) werd door de poëzierecensenten de literaire hemel ingeprezen. Ondanks de Awater Poëzieprijs die daar het logisch gevolg van was – deze prijs wordt immers uitgereikt door beroepslezers – kon de bundel geen van zijn beide nominaties verzilveren voor de veel lucratievere Herman de Coninckprijs en De Grote Poëzieprijs. Een vloek die wellicht ook op Tempel (2013) rustte, de vorige bundel van Stitou die eveneens bekroond werd met de Awater Poëzieprijs. Negen jaar zit er tussen deze vierde en vijfde dichtbundel van Stitou. Er was nog wel de bibliofiele uitgave Relieken in 2016, maar die vier gedichten vormen in Waar is het lam? de gelijknamige vijfde afdeling.

Waar is het lam? is een diepgravende, programmatische poëziebundel die de dramatische en persoonlijke impact meet van (het verlies van) religie en offer, geloof en cultuur. Over elk woord lijkt Stitou negen jaar lang gewikt en gewogen te hebben, wat zich in de bundel vormelijk vertaalde in het gebruik van een vet, zwart lettertype, een equivalent van de hypnotiserend nadrukkelijke zegging waarmee de dichter zijn gedichten voorleest.

Stitou, geboren in Marokko, maar sinds zijn derde maand in Nederland, leerde als jonge snaak veel Koranverzen uit zijn hoofd, en declameerde die trots aan zijn ouders. Als puber bleek hij heel wat kritischer, zei de islam vaarwel, omarmde het Nederlands en studeerde filosofie in Amsterdam. Hij debuteerde als dichter toen hij pas twintig was. Maar het geloof en de islam in het bijzonder bleef een prominente rol spelen in de poëzie van Stitou: “Het oeuvre van Mustafa Stitou laat zich lezen als zoektocht van een dichter die de religieuze zekerheden waarmee hij is opgegroeid heeft losgelaten en in zijn poëzie probeert de existentiële leegte die daardoor ontstaan is op te vullen.” – dixit Gijsbrecht Pols in Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur.

In Waar is het lam? staat het Bijbelverhaal van Abraham en Isaak centraal. Dat is het eeuwenoude verhaal van een vader die van God de opdracht krijgt om zijn zoon te offeren, maar op de valreep door een engel gestopt wordt en die daarna een ram offerde die met zijn horens verstrikt zat in de struiken. Het is dit verhaal dat elk jaar opnieuw herdacht wordt met het ritueel slachten van offerdieren door moslims op het Offerfeest. Dit dramatische verhaal is het uitgangspunt van een indringende poëtische exploratie. Het verhaal is een scharniermoment in de geschiedenis van de religies: mensenoffers werden vervangen door dierenoffers. Dat gebeurde in de joodse godsdienst min of meer tegelijk met het verlaten van het geloof in veel goden naar het geloof in één god. In de Hebreeuwse Bijbel aanbad een jonge Abraham nog vele goden. Op zijn oude dag – Abraham is dan al meer dan 100 jaar! – stelt die ene god (God) hem zwaar op de proef: hij moet zijn enige zoon (althans bij zijn wettige vrouw Sara) aan God offeren: hem met een mes doden en daarna verbranden. Het verhaal dat Stitou hier kiest, is in de Koran een voorbeeld van geloof (Soera 37: 99 – 113). Niet enkel van de vader, die eerst nog twijfelt en die twijfel deelt met zijn (niet bij naam genoemde) zoon. De zoon twijfelt echter helemaal niet, zijn vader moet doen wat God hem opdraagt. En dat gebeurt bijna ook, tot een engel Abraham stopt. Stitou kiest echter niet voor deze versie maar voor de dramatisch geladen Hebreeuwse versie die de verhouding tussen vader en zoon op scherp zet. “We hebben vuur en hout, zei Isaak, / maar waar is het lam voor het offer?” (Genesis 22:7) Dit Bijbelvers is het motto van de bundel – als poëzie in twee korte regels gesplitst, gecentreerd bovenaan de verder lege eerste pagina. Dit verhaal is het vertrekpunt voor Stitou om van gehoorzaamheid, (blind) geloof en twijfel diepsnijdende poëzie te maken … De wreedheid die de vastberaden Abraham eerst zijn onschuldige, onwetende zoon Isaak wou aandoen, wordt voor de zoon pas ten volle duidelijk als hij ziet wat de vader met de ram doet. Stitou maakt die traumatische ervaring nog plastischer in het laatste gedicht van de zevendelige cyclus ‘De steden’ door de reactie van de jongen te tonen door de ogen van de geslachte en verbrande (dode) ram. Ik laat hier de eerste en tweede strofe lezen van het gedicht dat een verhelderend commentaar meekreeg van dichter-schrijver Peter Swanborn in ooteoote:

De jongen wiens leven mijn dood vervangt
heeft zich achterover in de haag laten vallen
zijn blinddoek in zijn mond gepropt
zijn gezicht begraven in zijn bevende handen —

hij kan zich niet overgeven aan de waan
waarin hij geworpen is, valt dieper
de afgrond van de schending in,
de wieling van de wonde —

Het fanatieke geloof van de vader, het verschrikkelijke lot van de gedode ram en van Isaak – zowel in het oude verhaal als in de moslimwereld vandaag – komt in veel andere gedichten terug. En resoneert mee in het gedicht dat ik hier wil bespreken.

TALISMAN

‘Talisman’ staat op p. 66 in de derde (onbenoemde) afdeling van de bundel. Een talisman of een amulet is een “voorwerp dat geluk aanbrengt of tegen ongeluk behoedt, vooral een stukje papier met een spreuk uit de Koran” – weet de grote Van Dale. Het blijkt dus ook een moslimgebruik. Maar online onderzoek leert dat in de islam een talisman dragen eigenlijk een verboden gebruik is, een vorm van bijgeloof: “Een moslim behoort hier niet zijn vertrouwen in te leggen of zijn bescherming in te zoeken. Vanuit islamitisch optiek valt dit onder shirk: afgoderij en bijgeloof, en het is één van de grootste zonden.” Maar net deze strenge afkeuring lijkt te bevestigen dat het dragen van een talisman ook bij moslims een bijna niet uit te roeien vorm van volksgeloof moet zijn.

Om welke talisman gaat het hier in dit gedicht?

Eerste strofe

Neem jezelf de gesel uit handen.
Adem rustig de walging uit. Stap
doorheen die stolp van schaamte
en zet kalm de blik vanboven
het barse vadermasker af.

Het gedicht is verdeeld in drie vijfregelige strofen. De eerste strofe bevat vier imperatieven, vier raadgevingen waarvan de eerste en de laatste het meest intrigeren. De tweede en derde klinken eenvoudiger, alhoewel het niet gemakkelijk moet zijn om je walging rustig uit te ademen. Ben je daar niet te boos, te opstandig voor? En ‘die stolp van schaamte’ is een bijzonder mooi beeld voor wat schaamte doet met mensen, schaamte maakt je beschaamd voor de ander, isoleert je, doet je je afsluiten voor je medemens – dat je daar ‘doorheen’ moet ‘stappen’ is een zintuiglijk erg aanschouwelijke, maar tegelijkertijd ook moeilijke raadgeving die door een alliteratie (‘stolp’ – ‘stappen’) extra in de verf wordt gezet. Maar schaamte en walging waarvoor? De eerste en de laatste raadgeving in de eerste strofe lijken het antwoord te geven. Een ‘gesel’ is een strafinstrument dat (ex-)gelovigen misschien wel direct associëren met de Bijbel – Jezus werd gegeseld (zie wikipedia, christipedia) maar gelovigen hanteren soms zelf de gesel om zichzelf te straffen – zowel christenen (flagellanten) als moslims tijdens de Ashura-herdenking. De gesel die je moet wegleggen is de (al dan niet metaforische) gesel die gelovigen hanteren om anderen en zichzelf te straffen omdat ze niet hard genoeg geloven. Een agressie die nodig is als een veelbetekenende ‘blik’ – ‘vanboven’ – niet helpt om op het rechte pad te blijven: ‘het barse vadermasker’ – let ook op de versterkende alliteratie (3x b) en assonantie (korte a). Ontdoe je van je geweld, zegt de dichter, het geweld dat je is aangereikt door de voorvaderen en dat je nu jezelf oplegt, neem er ‘rustig’ en ‘kalm’ afstand van, van de schaamte en de walging die het geweld van je geloof jou hebben ingefluisterd.

Tweede strofe

Er is genade in het midden van je leven,
blijkbaar, een grote langzame wending;
het hoeft niet vlekkeloos te zijn
om zijn werk te doen: bevestigen
dat je leeft, dat je niet alleen leeft.

De tweede strofe bevestigt wat er in de plaats van het (oude) geloof komt of is gekomen. Het is een ‘genade’ – een oud en heilig woord – “goedheid van God” staat in de online-Van Dale als eerste betekenis. Het is een ‘wending’ – een ommekeer. Niet plots en niet in een keer: een ‘langzame’ ommekeer en ‘niet vlekkeloos’. Maar het is een bevestiging dat je leeft. Een ja tegen het leven. De versregels ‘bevestigen / dat je leeft, dat je niet alleen leeft’ refereren naar de beroemde regels van Remco Campert (1929 – 2022), de dichter die Stitou introduceerde op het 26ste Poetry International Festival toen hij 20 was:

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

Derde strofe

Vecht het noodwendige gevecht,
durf te vertrouwen, speel, haak aan
bij de helpende stemmen. Spreek
en stroom en vrees niet, vriend,
uit te monden in verlatenheid.

De derde, eveneens vijfregelige strofe geeft het gedicht een perfecte cirkelstructuur. De derde strofe is net zoals de eerste strofe een opeenvolging van imperatieven – nu geen vier, maar zeven. De veelheid geeft die korte adviezen een bezwerend karakter. De laatste drie vormen zelfs een Bijbels klinkende drieslag: ‘Spreek en stroom en vrees niet’. Ook het formele aanhaken (verbinden, aanknopen) ondersteund door alliteraties en assonanties geeft de mantra’s iets heiligs: ‘haak aan / bij de helpende stemmen.’ Maar ook nu weer blijkt dat wat er gebeuren moet, niet van een leien dakje zal gaan. Het is een ‘noodwendig gevecht’. Je moet durven: ‘durf te vertrouwen’, tegen beter weten in? Het mag ook speels – in contrast met het sérieux van het (moslim)geloof?

Maar voor wie zijn die raadgevingen? Voor de lezer? Ook. Maar het zijn op de eerste plaats raadgevingen van een poëtisch ik of in dit geval ‘een moreel ik’ – het Über ich? – aan zichzelf. De strijd is nog niet voorbij, het gevecht moet nog dagelijks worden verder gestreden, het is een ik dat zichzelf moed en volharding moet inspreken – een ‘moreel ik’ dat zijn ‘dagelijks ik’ daarom in de voorlaatste regel ‘vriend’ noemt.

Die dagelijkse strijd leidt dan misschien wel tot een waarachtiger, maar niet noodzakelijk tot een gelukkiger leven: blijkt zelfs ‘uit te monden in verlatenheid.’ Weg van het geloof, betekent ook vaak weg van je vader en weg van je moeder, weg van je broers en zussen, je familie, je vrienden. Wegen die Stitou wilde en durfde te gaan.

Toen Mustafa Stitou het gedicht voorlas op Poetry International, vertelde hij zijn publiek dat dit gedicht het laatste was dat hij schreef voor de bundel Waar is het lam? – zie het YouTube-filmpje bovenaan. Het lijkt er zo op dat hij zijn zoektocht naar een zinvol bestaan weg van het (moslim-)geloof succesvol heeft afgelegd. Dat het gedicht echter niet het laatste van de bundel is geworden, maar dat de dichter die eer – het laatste gedicht kreeg ook nog eens een eigen afdeling – voorbehield aan een eerbetoon aan zijn oude, diepgelovige moeder, toont dat het dan wel een vastberaden stap is geweest in zijn leven, maar geen totale breuk met zijn familie en afkomst:

Gebaard heeft ze je, opgevoed, een vreemde zien worden,
maar losgelaten nooit en jij haar evenmin; (…)

De stap weg van het moslimgeloof is dan wel definitief, maar moet elke dag opnieuw bevestigd worden. Het gedicht ‘Talisman’ wil hemzelf en de lezer overtuigen om dat onbevreesd te doen: komaf maken met het geloof in ‘de blik vanboven’, in ‘het barse vadermasker’, in ‘de gesel’: in geweld. Bijgelovige talismannen zijn het. Het is tijd om jezelf én anderen echt te vinden en echt te leven. Poëzie is ook voor Stitou een daad van bevestiging.

Joost Dancet
met dank aan Marianne – steeds opnieuw mijn eerste, kritische lezer. Een bijzonder woord van dank ook voor de stimulerende, warme reactie van de dichter zelf.

Leestip

Ik ben op zoek naar wat verlossing zou kunnen zijnArjen Broers

> Gedichten proeven – inhoudsopgave