43

Astrid Haerens

_ _ _

Uit: Oerhert (2022)

_ _ _

Analyse

Het gedicht ‘wanneer we niet meer kunnen’ is het voorlaatste gedicht van de vijfde en laatste afdeling van de debuutbundel Oerhert (2022) van Astrid Haerens (°1989). De ingenieus gecomponeerde bundel leest als het poëtisch wordingsverhaal van een tegelijk twijfelende én zelfbewuste vrouwelijk ik naar een nieuwe identiteit en een nieuwe taal, weg van de voorgekauwde patriarchale traditie. In deze vijfde cyclus heeft de ik zich met haar geliefde teruggetrokken in een hut op het strand aan de zee. Het decor waarin de 6 gedichten zich nu afspelen doet terugdenken aan het decor van de gedichten uit de eerste cyclus. Toen was het zomer, nu is het winter. De eerste cyclus heet ‘I OPKOMST’, de vijfde ‘V EXIT’ en doen de bundel zo op een toneelstuk lijken, waarvan we nu de finale meemaken.

Het duurt tot in dit vijfde gedicht in deze cyclus voordat de lezer te weten komt dat de twee geliefden twee vrouwen zijn: ‘je borsten zakken tegen mijn borsten aan’, wat wordt bevestigd in de derde en vierde strofe van het volgende en laatste gedicht van de bundel:

Het liefdesgedicht ‘wanneer we niet meer kunnen’ is geschreven in korte, vrije verzen, geordend in 6 strofen, telkens van 2 regels, uitgezonderd de voorlaatste die telt er drie. Zijn die strofen een visualisatie van wat er gebeurt? De korte verzen lezen makkelijk en hebben twee spannende enjambementen in de twee laatste strofen: na ‘je ademt en de bal’ en na ‘enkel nog’ moet je in de volgende regel lezen wat er precies aan de hand is.

In dit liefdesspel net voor het slapen gaan, is de hoofdrol voor de ogen: ‘raken je ogen bijna de mijne’. De oogkassen inspireren de volgende regel die de intieme omarming van de lichamen verbeeldt: ‘onze kassen vormen een ronde holte’.

Dan focust de dichter op het decor van dit liefdesspel. De vrieskou lijkt echter niet zozeer een spelbreker dan de aanjager van de innige omhelzing waarbij eerst de binnenkant van de omarming zachtjes wordt geschilderd: ‘je borsten zakken tegen mijn borsten aan’, daarna de stevige buitenzijde: ‘je handen houden op waar mijn ruggengraat zich kromt’. Let er ook op hoe telkens eerst het lichaam van de geliefde beschreven wordt, daarna dat van de ik. Wat een adembenemende ervaring: de andere wil jou.

De laatste twee strofen roepen – zoals gezegd, ondersteund door spannende enjambementen – het hoogtepunt op, waarbij de geliefde binnenin de omarming (‘de ronde holte’ – of is ‘de bal’ toch haar oogbal?) zich helemaal aan de ik geeft, als het ware vloeibaar wordt, wat gebald herhaald wordt in de laatste regel met een drieslag: wat de ik ziet (‘oogvocht’), voelt (‘adem’) en smaakt (‘zout’) – het is geen toeval dat de dichter nu vertragende komma’s plaatst.1 Als een attente en eigenzinnige woordkunstenaar viert Astrid Haerens intens de liefde in dit gedicht.

Joost Dancet
met dank aan de lezers van mijn poëzieleesgroep
en Marianne, steeds opnieuw mijn eerste kritische lezer

Voetnoot

  1. Komma’s plaatsen in opsommingen doet Astrid Haerens in de gedichten in deze bundel inderdaad meestal niet – zie het citaat uit het laatste gedicht op p. 66 hierboven, ook een treffende drieslag: ‘van stalking besmetting bevruchting’.
    ↩︎

Bronnenlijst

Oerhert op poezieleesgroep.be

> Gedichten proeven – inhoudsopgave